Verhaal

Historische Beroepen

Door André Bos


Uit de vermelding van de beroepen in de huwelijksakten is veel af te leiden over de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de 19e eeuw. De Dienstmaagd, de dienstbare, de dienstmeid en tenslotte de dienstbode zijn de voorloopsters van onze huishoudelijke medewerksters, en aan de mannenkant past hierbij de heerenknecht uitstekend.

Een verandering van agrarisch naar industrieel, zoals bijvoorbeeld de textielindustrie in Twente en de sigarenindustrie in Kampen, blijkt onder andere uit de verdwijnen van boerwerker en daghuurder en de komst van arbeider en fabrieksarbeider.
In Giethoorn had de rijksvoetbode uit 1862 in 1851 al een voorgangster in de voetbodin, die als collega’s de voerman en de beurtschipper hebben.

De conducteur op de diligence van Zwolle naar Deventer en vice versa heeft nog geen idee wat ooit een locomotiefpoetser in Zwolle zou zijn of zou moeten doen. Wel heft die conducteur in 1829 de plicht om beurtelings te Zwolle en Deventer te wonen en dat heen en weer getrek zal zijn kersverse echtgenote Louiza Antonia Cornelia Adriana Henriette van Suchtelen wonende op den huize ‘de Haere’ onder Olst, wellicht niet gemakkelijk gevallen zijn! (afb. 1)

Soms worden beroepen zelfs gebruikt als achternamen zoals bij smit, backer, vischer en zelfs zeilemaker, maar als de echtgenote dan zelfs nog zeilemaakster is, lijkt alles voor de wind te gaan.
Een gepensioneerd zeeman van 18 jaar zou ook nu de nodige verbazing wekken, evenals het beroep van Kapitein Geweldige, howel die niets met water te maken heeft, maar meer met opzicht in het gevang.
Manus Schoenlapper was daarentegen in 1869 niet bij zijn leest gebleven maar photograph geworden. In Zwartsluis oefende in 1814 Jan Botschoever het beroep chirurgijn uit (afb. 2) en in 1824 vond een Officier van den Burgerlijken Staat het nog wenselijk te vermelden dat de overleden vader van een 41-jarige bruidegom in leven groefbidder was geweest.

De dames hielden er af en toe stevige beroepen op na: in 1811 had bijvoorbeeld Rijssen een doodgraafster. In Giethoorn trouwde in 1856 Thomas Urk, genees-, heel- en verloskundige met zijn Johanna Alberta die koperslagersche was (afb. 3) en in 1879 kon Heino bogen op een grof- en hoefsmitsche.
Wat zouden onze voorouders voor fraaie beroepen hebben uitgeoefend? In het Historisch Centrum Overijssel te Zwolle kunnen we waarschijnlijk antwoord op die vraag krijgen en wat nog leuker is … zelf opzoeken


Beroepen in Overijssel 


Enschede

In 1811 was het meest voorkomende beroep genoemd in de huwelijksakten in Enschede: landbouwer. Op de tweede en derde plaats: wever en katoenspinner. In 1882 kwamen er in het geheel geen wevers en katoenspinners meer voor. Het meest voorkomende beroep was toen: fabrieksarbeider. Op de tweede plaats timmerman en de derde koopman. Landbouwer kwam op de vijfde plaats

In Enschede is de opkomst van de industrie goed te zien in de voorkomende beroepen tussen 1872 en 1882 zien we een verdubbeling van de beroepsvermeldingen ‘fabrieksarbeider’ bij de bruidsparen. Tussen 1882 en 1892 is er weer een verdubbeling te zien.

In 1922 kwam het beroep van landbouwer bijna niet meer voor in Enschede. Inmiddels was, sinds circa 1892, het beroep kantoorbediende op het toneel verschenen. Uiteraard hing dit samen met de industrialisatie in Enschede. Het beroep kantoorbediende neemt in omvang snel toe. In 1922 staat het in Enschede op de derde plaats. Op de eerste plaats stond fabrieksarbeider en op de tweede koopman.


Platteland

Niet verwonderlijk: het meest voorkomende beroep op het platteland gedurende de hele periode 1811 tot 1922 is dat van landbouwer. Op nummer 2 staat turfmaker. Dit wordt rond 1831 ingehaald door ‘arbeider’. Na 1861 verdwijnt de ‘turfmaker’ langzaam. Vanaf 1861 is de top drie van beroepen op het plattland: 1. Landbouwer, 2. Arbeider en 3. Timmerman.


Zwolle

In Zwolle zijn in 1811 de drie belangrijkste beroepen: koopman, landbouwer en schipper. Ook hier is het aardig te zien hoe nieuwe ontwikkelingen zichtbaar worden. In 1811 vinden wij bij de beroepen natuurlijk geen een spoorwegbeambte. In 1851 vinden we er één. Het beroep breidt zich geweldig uit en staat in 1922 op de eerste plaats. Dit is 5% van de bruidegommen.

In 1922 zijn de drie meest voorkomende beroepen bij de bruidsparen in Zwolle: 1. Spoorwegbeambte, 2. Schipper en 3. Koopman.


Overijssel

Van het totaal door ons getelde beroepen in Overijssel komen in 1811 het meest voor: 1. Landbouwer, 2. Koopman en 3. Arbeider. In 1922 is dat 1. Arbeider, 2. Landbouwer en een gedeelde derde plaats voor koopman en timmerman


Lijst van bijzondere beroepen

Aanlapper – baarscheerder- binnenmoeder bij het weeshuis- candidaat tot den Heiligen dienst – drolster – duffelwever – horlogiemaker – kalanderaar – kalkbrandersknegt – krankbezoeker – krasbaas – lantaarnopsteker – logementhouder – marskramer – nagtwagt – omroeper – pellenwever – postrijder – beroepen predikant – roedendrager – schatter van het rundvee – scheepsblokkemaker – suikerballetjesmaakster – sterker – stadsijker – stadsturfmeter – stadskarreman – sigarensorteerder – schuijerwerker – schout – schoolhouderesse – tolgaarder – tonnenwisselaar – tricotbreider – warmoesenier – waterschapsbode – wieldraijer – wikkelaar – wolkammer.

 

Dit verhaal is afkomstig uit het boekje ‘Ja, ik wil! 111 jaar Overijsselse huwelijksakten’. Dit boekje werd in 2005 uitgegeven ter ere van het afronden van het project dat 111 jaar aan huwelijksakten digitaal beschikbaar maakte.

Reacties