Verhaal

Hannekemaaiers in Rijssen

Auteur: 
G.H. Paetzel-Veenstra

Op 26 augustus 1819 werd in het gemeentehuis van Rijssen het overlijden van Herman van Hotfilker uit Lintel aangegeven. Lintel is in de buurt van Minden in het koninkrijk Pruisen. De aangifte werd gedaan door Bartus van der Werp, koperslager aan de Enterstraat, die als beroep van de dode opgaf: dagloner. De namen van de ouders waren hem onbekend en over een eventuele echtgenote wist hij ook niets. Als nader gegeven vermeldde Bartus dat Herman ‘Op de terugreize naar zijne woonplaats was overleden’.

Gastarbeiders

Hotfilker was 44 jaar oud. Hij was een van de honderdduizenden arbeiders die gedurende enkele eeuwen jaarlijks voor de zomermaanden naar Nederland kwamen om hier seizoenswerk te doen. Ze kwamen voornamelijk uit Nedersaksen en Westfalen. De economische omstandigheden in hun land waren zo slecht dat ze zich genoodzaakt zagen geld bij te verdienen in het toen rijke Nederland. Elke voorzomer verzamelden de boerenarbeiders, dagloners en soms ook boerenzonen zich om in groepen naar het westen te trekken. In Duitsland zijn de routes die ze namen nog bekend en soms gemarkeerd. Deze rondtrekkende arbeiders namen eigen gereedschap mee, meestal was dat een zeis.

Wat deden ze hier voor werk? De meeste hollandgangers kwamen hier gras en koren maaien. Deze arbeiders werden ook wel hannekemaaiers genoemd. Zij vonden in groepjes werk bij de boeren in Noord- en Zuid-Holland en in Friesland en Groningen. Anderen werkten in de venen van Zuid-Holland en Utrecht en ook bij sommige industrieën (bijvoorbeeld jenever en glas), maakte men graag gebruik van seizoenarbeiders. Daarnaast kwamen uit Lippe jaarlijks mensen naar de steenbakkerijen in Nederland.  In elk geval was het werk waarvoor niet voldoende Nederlanders gevonden werden.

Er zijn Duitse dorpen waarvan de mannen vroeger steeds naar dezelfde werkgevers gingen, generaties lang. Die thuisdorpen werden in de zomermaanden hoofdzakelijk bevolkt door vrouwen, kinderen en oude mannen. Zij moesten hun eigen huishouding draaiende houden, het gewas verzorgen, oogsten en ervoor zorgen dat voedingsmiddelen werden ingemaakt. Aan het eind van de zomer kwamen de uitgeputte mannen dan weer thuis. En als ze geluk hadden, met wat geld om de winter door te komen. Maar niet alle arbeiders overleefden de heen- en terugreis. Sommigen werden ziek en stierven. Ook kwam het voor dat mensen werden beroofd, of nog erger, vermoord.

Hoe reisden de hollandgangers?

Het is bekend dat de meeste mannen via Lingen liepen, waar ze de Eems konden oversteken. In die plaats was een brug, maar ook lagen daar boten klaar die tegen vergoeding passagiers en/of bagage naar Nederland vervoerden. Wie dat niet kon of wilde betalen moest verder lopen. Het is bekend dat er een  route liep via Den Ham, waar de mensen voor Friesland zich afsplitsten en de anderen doorgingen  naar Zwolle of Zwartsluis, vanwaar boten naar Amsterdam vertrokken. Voor velen was dat ook te kostbaar en zij liepen dan via de Veluwe naar Amersfoort en uiteindelijk naar het westen. Minder bekend is de noordelijke route via Rhede, waar ook een goede verbinding over de Eems was, naar Bellingwolde in Groningen. Hoe dan ook duurde de reis meerdere dagen. Hotfilker had nog een reis van ruwweg 200 kilometer voor de boeg terug naar zijn dorp in Duitsland. Er is weinig bekend over waar de mannen sliepen tijdens hun reis.

Over Rijssen

Zou er nog een derde route zijn geweest die langs Rijssen liep? In het overlijdensregister van Rijssen vonden we namelijk nog enkele aktes betreffende Hollandgangers. Deze aktes vermelden het volgende:

Op 15 september 1827 overleed ten huize van Peter Janssen, boerwerker te Rijssen, aan de Enterstraat, Antonius, klompenmaker, 60 jaar. Familienaam onbekend evenals  de namen van zijn ouders. Hij was geboren te ’Mastol’ (waarschijnlijk Mastholte) in het graafschap Rietberg, koninkrijk Pruissen. Een van zijn medereizigers bleef om het overlijden aan te geven en vermeldde: ‘op den terugreize naar huis overleden’.

En op 2 augustus 1830 gaven Hendrik Nijkamp, landbouwer, en Gradus Heilen, boerwerker, aan dat zij op 27 juli in de namiddag om ongeveer 4 uur in de Noetselerberg, gemeente Hellendoorn, dicht bij het huis van Gradus, dood gevonden hadden Bernhardt Witten, een keuterboer uit Wolbeck, kanton Münster. Zijn leeftijd was 37 jaar. Deze gegevens hadden ze gevonden in de papieren die de man bij zich had, maar die geen verdere details bevatten over eventuele familie.

Ten huize van Hermannus Kaasveld, kleermaker in de Walstraat, overleed op 17 juni 1831 Hermann Witting, 50 jaar, een arbeider uit Emsdetten in Pruissen. Ook deze gegevens kwamen uit het paspoort dat de man bij zich had, maar waarin geen gegevens over zijn ‘betrekkingen’ stonden.

Behalve Hotfilker kwamen deze mensen uit het zuiden van Westfalen, ongeveer 160 kilometer van hier. Het zou voor hen dwaas geweest zijn via Lingen te reizen. Waarschijnlijk was er een derde, minder bekende route naar het westen. Wat me ook  nieuwsgierig maakt is of de trekkers misschien in Rijssen overnachtingsadressen hadden.

Veel te vertellen

Over het verschijnsel ‘Hollandgang’,  is veel gepubliceerd. Nog steeds verschijnen er boeken over dit onderwerp. Aan de universiteit van Osnabrück heeft men een aparte afdeling die onderzoek doet naar alles wat met ‘Zur Arbeit nach Holland’ samenhangt. Zo hebben bijvoorbeeld de hollandgangers veel Nederlandse woorden meegenomen naar hun dorp. Deze vind je in hun huidige dialect nog terug.

Reacties