Verhaal

Een grijze bedelaar

Daar zat hij met het hoof gedoken,
                Verkleumd en leunende aan een stam;
Zijn dorre hand werd uitgestoken,
                Zoo vaak een voetstap naadren kwam.


Ginds rolt een volgeladen wagen,
                Met toevoer van den oogst bevracht:
Hij houdt het oog er heen geslagen…
                Een zucht deed hooren wat hij dacht.
 

Oud, krank en arm, het hoofd gedoken,
                Tot hoorbaar smeeken niet in staat,
De hand om deernis uitgestoken,
                Zoo zit en zucht hij vroeg en laat.

                                                Gedeelten uit een gedicht van: Hendrik Tollens Cz uit 1854

 

Dit gedicht over een grijze bedelaar straalt triestheid uit. Een triestheid die de laatste periode van het leven van Gerrit Kornelissen Hoogeveen omringd zou hebben. Toen hij in 1829 op 76-jarige leeftijd in het jaar 1829 te Zwartsluis overleed, zat de Nederlandse economie in het slop. Vooral in grote steden kon soms vijftig procent van de bevolking niet in eigen levensonderhoud voorzien. deze mensen waren om te overleven, afhankelijk van de hulp van parochies en diaconieën of van giften van de rijke laag van de bevolking. Een ander gedeelte van de armen probeerde met bedelen te overleven.
Dat een deel van de bevolking aan het bedelen sloeg, was niet naar de zin van de gegoede burgerij in die tijd. Niet alleen het bedelen stuitte de burgerij tegen de borst. Het volk zou daarnaast ook bandeloos, onbeschaafd, hoerend, zuipend en onverstaanbaar zijn. Dit onzedelijke en in armoede vervallen volk moest heropgevoed worden en zo begon er een beschavingsoffensief. De uitvoerders waren vooral de gegoede burgers. Ze schreven veelal moraliserende boekjes die op een georganiseerde wijze verspreid werden onder de bevolking. Een belangrijke organisatie die hier een bijdrage aan leverde was de ‘Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen’. De vaak welgestelde leden van het Nut moesten de moraliserende teksten doorgeven aan de lagere standen, bijvoorbeeld aan hun eigen personeel.

 

 

Bedelarij

Men vond het belangrijk om de bedelarij aan te pakken. Bedelaars werden gezien als het uitschot onder de onzedelijke bevolking. Volgens de burgerij was bedelen een ‘drukkende plaag’, een ‘ineetend kanker’ dat steeds meer mensen ertoe verleidde een lui en werkloos leven te leiden.  Het werd gezien als ‘De onzalige bron van zedeloosheid’ en als ‘menschonteerend’. Volgens de rijke lui zouden bedelaars geen schaamte meer kennen. Ze zouden oerluie mensen zijn die leefden van het inkomen van andere mensen. De gegoede burgerij verachtte zo’n levensstijl. Er bestond toentertijd ‘in de menschelijke maatschappij geen verderfelijker, doodelijker, en tevens geen besmettender kanker’, aldus de burgerij.
Om bedelarij en armoede tegen te gaan, werden er heropvoedingskolonies in Drenthe en Noord-Overijssel gesticht. In deze kolonies leerden de armen de eigen kost te verdienen. Dit gebeurde veelal door ze om te scholen tot nuttige landbouwers. Bedelaars en de allerarmsten, soms zelfs hele gezinnen, werden, naar deze kolonies gestuurd. Opname in deze kolonies, ook wel gestichten genoemd, geschiedde zowel vrijwillig als onvrijwillig.
Een van deze kolonies was het bedelaarsgesticht in Ommerschans. Deze kolonie werd opgericht door de Maatschappij van Weldadigheid. Dit is een soortgelijke organisatie als de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. De Ommerschans is de plek waar ook Gerrit Kornelissen Hoogeveen terecht zou zijn gekomen, als hij niet tijdens zijn transport naar het gesticht was overleden, zoals in zijn overlijdensakte staat vermeld. De kolonie te Ommerschans was een dwang- of strafkolonie. De inwoners verbleven er onvrijwillig. Voor een delict als bedelen was voor 1843 geen proces nodig om naar een gesticht gestuurd te worden. Bedelaars moesten zonder veroordeling naar de kolonies vertrekken. Dat Gerrit naar de Ommerschans werd gestuurd, betekende waarschijnlijk dat hij in slechte omstandigheden had geleefd.

 

 

De Ommerschans

Of de al oude Gerrit in de Ommerschans wel een prettig verblijf zou hebben gehad, is maar de vraag. Het regime was streng en de omstandigheden waren zwaar. Het belangrijkste in de kolonie was dat er gewerkt moest worden. De inwoners van de kolonies, ook wel kolonisten, verpleegden of voorwerpen genoemd, hielpen bij het cultiveren van de woeste natuur rondom Ommen. Daarnaast konden de kolonisten werken in verschillende industrieën, zoals in de textiel. Het geld dat ze verdienden, werd hun uitbetaald in kaartjes van twee stuivers. Met deze kaartjes konden zij in de winkel van de kolonie proviand kopen. Het systeem was ingesteld om te voorkomen dat de inwoners van de Ommerschans buiten de kolonie hun loon uitgaven aan sterke drank. Toch wisten kolonisten buiten het gesticht aan sterke drank te komen. De Dronkemanslaan te Balkburg herinnert nog altijd aan de weg die dronken kolonisten terug naar het gesticht namen.
In het gesticht gold het principe ‘die niet werkt, zal ook niet eten.’ De Maatschappij van Weldadigheid schonk de kolonisten één warme middagmaaltijd per dag. Het ontbijt en avondeten moesten de inwoners zelf kopen van het geld dat in de kolonie verdiend werd. Wanneer bijvoorbeeld een oude man, zoals Gerrit, niet in staat was om te werken, verdiende hij geen geld. En geen geld betekende dat er geen mogelijkheid was om de aanvullende maaltijden te kopen. Dit hield dus in dat hij slechts één maaltijd per dag kreeg. Dit zal de gezondheid en levensverwachting van zo iemand geen goed hebben gedaan.

 

 

In de Ommerschans was er überhaupt weinig aandacht voor gezondheid en hygiëne. Het complex bestond uit 34 zalen geschikt voor 40 à 50 bewoners. Deze zalen deden tegelijkertijd dienst als slaapruimte, woonruimte, keuken en eetzaal. Ook dit zal niet bevorderlijk zijn geweest voor de fysieke toestand van de kolonisten. Het is dus ook niet verwonderlijk dat het sterftecijfer in de kolonie erg hoog lag.
Het gesticht bood grofweg drie vooruitzichten aan de inwoners. Door hard te werken en dit werk uitstekend uit te voeren, konden de kolonisten hun schuld aan de maatschappij van weldadigheid aflossen. Hierna konden ze bij een baas worden geplaatst of eigen werkzaamheden verrichten. Als de kolonisten zich daarnaast goed gedroegen en er de mogelijkheid was om buiten het gesticht in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, bestond er een kans om te worden ontslagen uit het gesticht. Een ander vooruitzicht was het opklimmen binnen de kolonie. Kolonisten konden als bewaker of zelfs als hoevenaar aan de slag. Een hoevenaar was een kolonist met een eigen stuk grond en een eigen huis binnen de kolonie. Alleen de allerbeste kolonisten kwamen voor deze eerste twee mogelijkheden in aanmerking. Het laatste vooruitzicht was minder positief. Dit betekende namelijk dat een kolonist stierf tijdens het verblijf in de kolonie. Vaak omdat hij of zij niet in staat was te werken en dus niet voldoende voedsel kon kopen.
Je kunt bijna raden welk vooruitzicht een 76-jarige man te wachten stond..

Reacties